Van de korf en het water


Een jonge geleerde komt bij een wijze rabbi en verzoekt hem om opheldering over de geheimen Gods. De jongeman verklaart hem dat hij nu al jaren de geschriften van de kabbalah bestudeerd heeft, maar nog niet tot de kern van zijn vragen is doorgedrongen. Nu wil hij in zijn vertwijfeling hem, de meester van de kabbalah, vragen wat de uitkomst van zijn studies is.

De rabbi antwoordt hem niet, maar zegt: "Zie je de wilgekorf daar in de hof. Ga alsjeblieft en breng me er water uit de put mee". De leerling verwondert zich over deze merkwaardige instructie, maar probeert haar zonder tegenspraak uit te voeren, omdat hij meent dat hij ermee op zijn ernst getest wordt. Hij vult de korf met water en loopt naar de rabbi, maar het water is er natuurlijk allang uitgelopen voordat hij aankomt. De rabbi zegt verder niets en stuurt hem nog een keer. Het resultaat blijft echter even slecht. Nog een keertje wordt de leerling gestuurd en weer gaat hij zonder tegenspraak, omdat hij zijn meester zijn geduld wil tonen. Na nog een paar keer wordt hij echter ongeduldig, omdat de rabbi nog zijn vragen niet beantwoordt, maar alleen maar zit en zwijgt. Tenslotte vraagt de leerling opnieuw naar de zin van zijn studies. Dan wijst de meester op de korf en zegt: "Vele malen heb je geprobeerd daarmee water te putten, maar het is je niet gelukt. Maar de korf die daarvoor niet om aan te zien was en rondslin­gerde, is er schoon en fris van geworden. Ondanks al je studeren zal je geest de geheimen Gods niet kunnen vasthouden. Maar hij wordt er wel schoon door. (1)" 

Als ik terugkijk op mijn leven bestaat een groot deel van mijn bestaan  uit 'water putten' en 'met korven sjouwen'. En ik doe het graag, eigenlijk kan ik het niet laten. Eerder schreef ik in Blauwe Iris over mijn tochten door 'alternatief Nederland' en de ups (zin) en downs (onzin) die ik er (voor mij) tegenkwam. En hoe dit alles via een tocht door het land­schap van gnosis, esoterie en meditatie leidde tot de studie theologie en jungi­aan­se psycho­logie, tussendoor nog een paar cursus­sen 'meenemend'. Een mens zou er moe van worden. Maar ik niet, ik ga vrouw­moedig door.

Regelmatig leidde dat sjouwen tot behoorlijke schokken en tot veran­derin­gen in mijn Gods- Jezus- en mens­beelden. Ongetwijfeld hebben jullie, net als ik, de nodige innerlijke verschuivingen ervaren. En hebben ook jullie gemerkt hoezeer je eigen christelijke kerkelijke traditie als stem meeklinkt in afweging, reflectie, of zelfs in ervaringen zelf. Soms als zacht stemme­tje op de achter­grond, soms als innerlijke criticus die je dwingt 'het nieuwe' nog eens zorgvuldig te onderzoeken of af te wegen. Meestal houd ik wel van die stem. Alhoewel-ie ook behoorlijk in de weg kan staan en de boel kan blok­ke­ren. En wie kent niet de inner­lijk angst­haas met zinne­tjes als "Mag ik dat wel onderzoe­ken of ervaren?".

Zo herinner ik me mijn geraaktheid door de schoonheid van christe­lijk gnostische ge­schriften, maar toen mij werd verteld van het verschil tussen de Onkenbare Oergod en een demiurg, die hemel en aarde had geschapen (JHWH uit het Oude Testament) vroeg ik mij ten diepste af tot wie ik mijn leven lang dan had gebeden? Want ik sta wel in een traditie. De confrontatie met de prachtige diepzinnige gnostische teksten en ander­zijds de 'ongemak­kelijkheid' van een demi­urg als de God van mijn opvoe­ding leidde tot opnieuw sjouwen met de korf.... Want ja, in alle religieuze tradities (m.n. de monothe­stische) is gewor­steld met het raadsel van het kwaad. Hoe is het er gekomen en hoe komen we ervan af. In deute­ro-Jesaja (Jes. 45:7) kunnen we lezen: "Ik formeer het licht, en schep de duister­nis. Ik maak de vrede, en schep het kwaad. Ik de Heere, doe al deze din­gen". In de loop der tijd wordt het steeds moeilijker goed en kwaad aan God zelf toe te schrijven. Er wordt geherin­terpre­teerd en dan zien we dat het kwaad in de geschie­denis van God steeds zelfstandi­ger en eigenzinni­ger wordt opge­vat (2). Is er in het Oude Testament eerst nog een satan met (meestal) een menselij­ke component (zie bijv.1 Sam. 29:4), langza­merhand 'verandert' deze naar de Satan als zelfstan­di­ge groot­heid van het Nieuwe Testament (3). Vanuit deze optiek bevindt het kwade zich buiten mij en als het in mij is, dan is het een vreemde macht die over mij komt. "Dus oppassen" zegt het angststemmetje van de traditie!

Ik herinner me mijn kennismaking met New-Age (het begrip nieuwetij­dsdenken kwam pas later) als buitengewoon boeiend en fascinerend. Tegelijkertijd leek het een hussel­pot van rijp en groen. Alhoewel bij de zoeke­rs (inclusief mijzelf) sprake leek te zijn van een diep verlan­gen en het spirituele (bewustwordings)proces bij sommigen tot een vruchtbare innerlij­ke dialoog tussen het ik (ego) en het Zelf leidde, kregen anderen last van een enorme ego-opge­zwol­len­heid. Naast het gevaar van de duivel, die ik inmid­dels als 'negatie­ve krach­ten' be­noemde, zag ik ook hier de valkuil van het ego. Een gevaar dat ik nog kende uit de traditie; het stemmetje zat al klaar. 
Na een aantal jaren trekken door 'New-Ageland' dacht ik van sommi­ge stem­metjes uit de traditie verlost te zijn. Tot mijn verbazing bleken ze er nog gewoon te zitten. Kennelijk dieper (onbe­wus­ter) dan ik had gedacht. Illustratief hiervoor is de volgen­de droom uit die tijd. 

Ik ben in een heel bijzon­dere tuin met veel groen. Op een verhoging staan drie indrukwekken­de boka­len. Zij zijn met rode wijn gevuld. Ik weet dat ik uitgenodigd ben hieruit te drin­ken. Ik weet en voel hoe bijzon­der deze uitnodiging is. Dan zie ik links van mij twee naar mij kijkende ogen. Ik ken die ogen niet... Ik vraag me af of dit soms ogen van de 'duivel' zijn. Is dit wellicht een test? Een test voor mijn ego? Mag ik wel drinken? Ik durf het niet aan en besluit niet te drin­ken. Wie weet zou ik zo mijn ziel aan de duivel verkopen... En als ik wakker word? Dan heb ik spijt dat ik niet gedronken heb. Weer sjouwen met de korf dus.

In esoterie en New Age/nieuwetijdsdenken gaat men uit van een holistisch wereldbeeld, waarbij goed en kwaad als polariteit worden gezien. En daar klinkt een stemmetje uit de traditie: "Wat betekent dit voor de ethiek, voor mijn daden en gedach­ten?". Daar waar goed en kwaad als polaire eenheid worden gezien, lijkt de ethiek me toch een zwak punt, bovendien wil ik het wel graag goed doen....."

Voor Hein Stufkens vraagt het holisme om een nieuwe ethiek, om een andere wijze van denken over goed en kwaad. In de 'oude' ethiek richtte men zich erop het goede te doen en het kwade te bestrijden. Vanuit die 'oude' optiek bevindt het kwade zich buiten mij en als het in mij is dan is het een vreemde macht die over mij komt of komen kan (zie droom). Voor Hein Stufkens maken al onze daden en gedach­ten deel uit van het geheel: "Wij hoeven voor het behoud van de wereld en ons behoud niet te onderhandelen met een almachtige God buiten onszelf. Wij moeten leren van onszelf te houden, onszelf te helen. Dat betekent dat we niet alleen solidair moeten zijn met onze succes­sen, maar ook met onze fouten. Hiermee overwinnen we het vijandden­ken of het kwade op een ander te projecte­ren" (4). Daar­naast bena­drukt hij dat in alle grote gods­dien­sten de liefde voor de ander een funda­mentele oefening is op de eigen spirituele weg. Het holistisch denken vraagt voor hem om een nieuwe ethiek. Hoe zouden zich dan de begrippen vrijheid en dienst­baarheid met elkaar verhouden?  

Voor Rav Kook zijn goed en kwaad, licht en duister tegenstellin­gen. Waar de één is, is de ander niet. Maar ook in het denken van Rav Kook zijn het geen werkelijke tegen­stellin­gen, maar gradaties. Zo is het kwaad een lage trap van goed en duister­nis een lage trap van licht: "Door het beperkte bevat­tingsvermo­gen van de mens spreekt de ene visie de andere tegen, verdraagt het ene gevoel het andere niet en moet het ene beeld voor het andere wijken. In werkelijk­heid echter steunt de ene visie de andere, wekt het ene gevoel het andere op en voltooit het ene beeld het andere. En naar mate de mens zich weet te verheffen, verwijdt zich zijn bevattingsver­mogen tot hij in zichzelf de volheid van innerlijke vrede vindt, waarin visies, gevoelens en beelden zich met elkaar verenigen". Ook vrijheid en dienstbaar­heid ziet hij als twee samen­hangende begrip­pen die elkaar aanvullen: "Diep in het bewust­zijn zijn de twee begrip­pen niet strijdig. De hoogste vrijheid komt in de wereld pas aan het licht wan­neer zij bekroond wordt door de kroon van de hoogste dienst­baarheid" (5). Pfff, dat wordt weer sjou­wen met de korf.

Vanuit de overtuiging dat het water al uit mijn korf loopt doe ik een po­ging: Als we vrij zijn van regels en dogma's die ons van buiten af zijn aange­leerd of opge­legd (lees: 'goed doen' of 'dienstbaar-zijn' uit angst voor straf of hel) en we 'de monsters in ons' leren kennen en daardoor bevrij­den (zodat we het kwaad niet op de ander projecteren, zie Stufkens) kan een nieuw geweten worden geboren. Een absoluut gewe­ten dat leidt tot het gaan van een eigen innerlijke weg (dus niet wat de ge­meenschap van je eist). Dan geef je gehoor aan een innerlij­ke stem (de stem van het Zelf, je goddelijk bron), die je drijft en die vanuit een diep mededogen dienstbaar is aan de mensheid. Omgekeerd: vanuit een onvoorwaardelijk dienstbaar-zijn d.w.z. niet persoonsgebon­den, los van oordeel, waarden of verwachtingen komt de hoogste vrijheid aan het licht. 

In het Oude Testament is 'vrijheid' gekoppeld aan geboden, misschien kunnen we zeggen verant­woorde­lijkheid. Vrijheid is zo een relationeel begrip en komt tot bloei in de omgang met God en met mensen door de keuze die de mens zelf doet. En als we overstappen naar Jezus en de verha­len lezen waarin hij mensen geneest d.w.z. heelt en vrij maakt, krijgen zij meestal een opdracht om tot hande­len over te gaan.

Zo'n jaar geleden was ik in een grote hal met vele heiligenbeel­den, beelden afkomstig uit oude kerkjes in Frankrijk en nu met zijn hon­derden te koop in Neder­land. Dat heeft toch iets treurigs. Ik mocht 'iets kiezen' en koos een witte buste Jezus voorstellend. Thuisgekomen zette ik hem op onze schouw tussen de gedroogde hop. Je kon er niet omheen (kij­ken). Dat ontlokte het nodige co­mmen­taar van echtge­noot en kinderen. Maar nee, hij moest blijven staan! Na enige tijd toch maar op de piano. Maar dat was volgens de familie ook wat wonder­lijk. Na nog wat heen en weer gesleep ver­huisde hij naar een klein wiebelig antiek kastje. Omdat ik voorzie dat hij daar vroeg of laat vanaf zal vallen, staat-ie nu uiteinde­lijk in de meditatie­ruimte .... Iemand zei "Wat ben je toch met dat beeld in de weer" en sloeg daarmee de spijker op zijn kop.

Maar hoe kan het anders in een tijd waarin van zoveel kanten verha­len, boodschappen en uitspraken over hem (volgens sommigen zelfs direct van hem) op je af komen. Nu zal ieder van ons hetgeen tot hem/haar komt op eigen wijze intepreteren en ieder van ons zal in het eigen hart een eigen Jezus vinden. Want net zo min als we de gehei­men Gods kunnen door­gronde­n en ­vast­houden, net zo min kunnen we dit met de geheimen van Jezus. Ik citeer Gradus van Florest­ein: "Het­geen we zien als onze werke­lijkheid wordt bepaald door onze ervarin­gen, door de betekenis die wij aan onze erva­ringen verlenen en door de manier waarop wij de betekenissen orde­nen. Derhalve zijn de werke­lijkheid en de waarheid die we uit die ervaring afleiden subjectief en veranderlijk. Niets is absoluut, niets bestaat op zichzelf, alles en iedereen verhoudt zich tot iets of iemand. Dit tekent het belang van de dialoog en het belang voor respect voor elke ervaren realiteit" (6).

Vanuit mijn interesse voor de joodse traditie en de hebreeuwse taal is Jezus voor mij vooral een joodse man trouw in/aan de joodse traditie. Ik heb er moeite mee hoe in de ontwikkeling van het christen­dom, dus na zijn dood, hij (Jezus) uit zijn joodse wortels is getild. Tegelij­kertijd stromen de tranen mij over de wangen bij het zien van sommige Jezusbeel­den. Snap je nou zoiets? Tradi­tie? De evangeliën zijn ons natuurlijk wel bekend en ook verschillen­de inter­pretaties ervan. Het boek van Max Arav 'Jezus gestalte van de Tora' was voor mij dan ook een grote verrassing. Hij baseert het Lukasevan­ge­lie op de joods-mystieke structuur. Ook al zou je je niet verdiepen in de kabbalis­tische opbouw van de tek­sten, dan blijft er meer dan voldoende over om inzicht te krijgen in de tijd waarin Jezus leefde. Een fantastisch boek voor diegenen bij wie het water uit de korf màg lopen.

Ik was buitengewoon geschokt toen ik na jaren van 'water halen' en 'korven sjouwen' de volgende droom droomde.

Ik zit bij twee wijze oude vrouwen aan een ronde tafel. We gaan mediteren (iets wat ik graag doe, veilig dus). Zij lezen he­breeuws (doe ik met veel genoegen in een leesgroepje, dus nog veiliger). Zij bemedite­ren regel­matig het 'Onze vader' en de 'Zaligsprekin­gen' in het he­br­eeuws ('t kan niet mooier voor mij, super­veilig dus). Zij zitten wijdbeens aan die tafel en zijn volkomen zichzelf. Eén van de vrouwen doet zelfs haar gebit uit. Ik denk in mijn droom 'nou die is op haar gemak'. Vervolgens legt de andere vrouw een dun doekje over haar gezicht. We gaan beginnen. Ik ben er klaar voor. De laatst genoemde vrouw heeft een roze balletje in haar hand en beweegt het licht heen en weer over de tafel. Ik heb de indruk dat het haar afstem­ming helpt. Ik hoor het suizen in mijn oren. Ik heb het gevoel dat ik uit mijn lichaam treed. Maar dan. GROOT INNER­LIJK ALAR­M. Een roze bal­letje? Mag dat wel, is dat geen magie? Ik roep dat ík niet meedoe, het suizen stopt en daarna word ik wakker. 't Ja ... achteraf spijt natuur­lijk. Nu waren alle voorwaarden geschapen om me veilig te voelen en wéér doe ik niet mee! Ga ik zeuren over een roze balletje. Alweer een stemmetje uit de traditie. 

De droom geeft aan dat in mijn optiek magie en religie absoluut gescheiden grootheden zijn (stemmetje uit de traditie). Deze visie wordt door Wichmann behoorlijk verstoord. Ik was dan ook echt geschokt van zijn uitleg: "I.t.t. de gangbare gewoon­te om magisch en religieus tegenover elkaar te plaatsen, is magie een wezenlijk bestand­deel van de religieuze praktijk d.w.z. iedere ceremo­nie is een vorm van magisch handelen. Hieronder valt voor hem ook het opdragen van de heilige mis door de priester. Lagere magie noemt hij handelingen die gericht zijn op (genezing brengende of storende) manipulatie van de wereld. Hij spreekt van hogere magie of religieus handelen (in ceremoniële zin) wanneer het doel de ontwik­keling van de persoonlijkheid, de verhef­fing van het menselijk bewust­zijn tot het goddelijke is of tot God gebeden wordt een band met de mens te vormen". Toen ik dat tot me had laten doordringen stond ik open voor de volgende ervaring: Een vriendin van mij verdiept zich in het sjamanisme. Nadat onze nieuwe tuin klaar was kwam zij, op mijn verzoek, met haar attributen om een sjamanistisch ritueel uit te voeren voor onze grond, zoals ook een priester een huis/tuin kan inzegenen. Mijn religieu­ze moeder was ook van de partij. Het was vroeg in het voorjaar en nog aardig fris. Wij, drie vrouwen, met botjes, schelpen, gedroogde kruiden en veren naar buiten. Mijn moeder zittend op het terras kreeg een smeulende fakkel omwikkeld met gedroogde salie in haar hand en haar werd gevraagd om in concentratie te 'smudgen' d.w.z. te vragen om reiniging. Hevige rook kwam uit de fakkel en dwarrelde over onze tuin. Omdat het toch wel fris was kreeg zij een wollen kleed om haar schouders. En opeens zat daar een oude wijze indiaanse vrouw in mijn tuin te 'smudgen', niet te geloven. Ik moest achter mijn vriendin aan om in iedere hoek van de tuin (de vier windstre­ken) de bijbehorende attributen neer te leggen. In het noorden iets van de aarde, in het oosten iets van de lucht, in het zuiden iets van vuur en in het westen iets van lucht. Ik danste, zong en stampte met haar mee terwijl zij tussendoor in haar enkellange zwarte jas en grote zwarte hoed heen en weer bewoog en zachtjes bad. Al met al een nogal opvallend gebeuren. Nu woon ik wel op het platteland, maar onze de tuin ligt helemaal open aan de rand van een natuurge­bied, wat nogal wat mensen trekt. Ik merkte dat ik steeds dieper gebogen achter mijn vriendin aanliep, niet uit eerbied, maar omdat voorbijgangers stilhielden en bijna uit hun auto rolden van verba­zing. Toen ik later aan mijn moeder vroeg of zij geen last had gehad van al die voorbijgangers antwoordde ze: "Voorbijgan­gers? Ik heb niemand gezien, ik was aan het 'smudgen'". Ik viel stil. Zit het stemmetje van de traditie me niet in de weg dan is het wel het stemmetje van valse schaamte wat me belet in de ervaring te zijn. Ik ga maar vast de korf halen.

Hanneke van der Meer

1. Uit Wichmann 'Renaissance van de esoterie', 1991.
2. Een geschiedenis van God, Karen Armstrong.
3. Engelen en demonen, Schrift nr. 174.
4. Stufkens in 'Heimwee naar God' en in 'Religieuze bewegingen in Nederland' nr.18.
5. Rav Awraham Jitschak HaCohen Kook gedciteerd in Tenachon 1, 1987.
6. Symposium Vereniging voor Transpersoonlijke Psychiatrie nov. 2000.

Terug naar top